Wat we ermee bouwen
Go is waar we API-services in schrijven als een product echt verkeer en echte gelijktijdigheid heeft. Streaming-endpoints, WebSocket-fan-out, requesthandlers die duizenden open verbindingen moeten vasthouden zonder dat het geheugenprofiel een probleem wordt.
De taal is bewust klein, en dat telt in een team zwaarder dan het klinkt: er is meestal één voor de hand liggende manier om iets op te schrijven, dus code review gaat over het probleem in plaats van over stijl. Builds zijn snel, de uitvoer is één statische binary, en het container-image eromheen kan een paar megabyte zijn.
Waar we het hebben ingezet
ExtraETF is het duidelijkste voorbeeld — een Go-backend die realtime marktdata en portefeuille-updates naar een Flutter-client op iOS en Android voedt. Over de architectuur schreven we in een realtime fintech-app bouwen.
Delen van het Formtastic-platform zijn eveneens Go, naast de Python-services daar.
Wanneer we het aanraden
Go past bij services die I/O-gebonden zijn en veel gelijktijdigheid kennen, en bij teams die eenvoud in beheer willen — één binary, geen runtime, ongecompliceerd uitrollen.
Het past minder goed waar je baat zou hebben bij een groot kant-en-klaar framework. Heeft een product op dag één een beheerinterface, authenticatie en een datamodel nodig, dan brengt Django je daar in een fractie van de tijd, en kun je de drukke paden later alsnog naar Go verplaatsen als ze dat verdienen.




